architect 2002

               
Herman Verkerk - Eventarchitecture

Het allesoverheersende dictaat van de markt voor 'het beeld' heeft de architectuur al jaren in zijn greep. Met het begrip 'branding' wordt verwacht dat de architectuur samen met andere ontwerpende disciplines een product of dienst verankerd in het bewustzijn van de consument. Een proces dat moet resulteren in een duidelijk herkenbare identiteit, het toverwoord van deze tijd. Van grafisch ontwerp, architectuur, fotografie, mode, design wordt verwacht dat zij gezamenlijk een merkidentiteit neerzetten. Het is een wurggreep waar steeds vaker ontwerpers zich tegen verzetten. Een van hen is Herman Verkerk, die er met zijn bureau Event Architecture al enkele jaren een tegendraadse ontwerpopvatting op na houdt. Als architect, maar bijvoorbeeld ook als redactielid van Forum, onderzoekt hij de mogelijkheden om zich te onttrekken aan die allesoverheersende zoektocht naar identiteit. Hierbij werkt hij nauw samen met ontwerpers uit andere disciplines, zoals Alexander van Slobbe als modeontwerper, Job van Bennekom als grafisch ontwerper of Bart Guldemond als vormgever. Met zijn ontwerpen wil hij bepaalde condities scheppen, die afhankelijk van een wisselende context een constante transformatie van betekenissen mogelijk maken. Zijn bureau heet dan ook niet voor niets EventArchitecture, wat niet verwijst naar het opzetten van tijdelijke 'events' ook al manifesteert hij zich vooral als ontwerper van modeshows en tentoonstellingen, maar naar het begrip tijdelijkheid in de zin van niet eenduidig en niet gefixeerd. In Items (nr.3, 2001) omschreef Herman zijn eigen bureau als volgt: "EventArchitecture is (...) niet op zoek naar een absolute gestolde presentatie en representatie van ideeën maar tracht ze in een alledaagsheid en terloopse context te zetten met de lichtheid en kwetsbaarheid van een gesprek. De houdbaarheid en/of tijdelijkheid van de constellatie zijn belangrijke uitgangspunten."

Een van zijn eerste projecten waarin zijn ideeën tot uitdrukking kwamen was het congres Play van de Doors of Perception in 1998. Grote melkwitte ballonnen hingen als een soort choreografie in de zaal, waarmee de ruimte afhankelijk van de positie die je als bezoeker in de zaal innam steeds veranderde. In de tentoonstelling Tien jaar Orson & Bodil, een modemerk van Van Slobbe en De Kleijn, in het Centraal Museum in Utrecht zocht Herman Verkerk naar een methode om de museale context te relativeren en daarmee de fixatie van het gepresenteerde object te voorkomen. De kledingsstukken waren opgehangen in kleedhokjes, zodat de bezoeker stiekem het kledingstuk kon betasten. De hokjes van wit gaatjesbord waren op brute wijze opengebroken, zodat je er steeds doorheen kon stappen en je zo van kleedhok naar kleedhok kon begeven. Bij de tentoonstellingsinrichting van de Rotterdam Designprijs in het Museum Boymans van Beuningen in 2001 ging Herman Verkerk een stap verder. Hij trad hier vooral op als een organisator van programmatische activiteiten en creëerde daarvoor de ruimtelijke condities. Een groot vlak in de tentoonstellingsruimte was uitgespaard en diende als plek voor steeds andere gebeurtenissen. De tentoonstellingsruimte was opgevat als een magazijn, waarin objecten tijdelijk zijn opgeslagen om later te worden opgenomen in een specifieke context. Immers, vormgevingsproducten zijn net als mode bedoeld voor gebruik en niet voor fixatie in een museum. De handgeschreven bordjes met grove rubriceringen, alsmede de goedkoop uitziende displays van blauw piepschuim onderschreven deze tijdelijke context. De regelmatig wisselende activiteiten op het uitgespaarde vlak zorgden er elke week voor dat de tentoongestelde producten in een andere context kwamen te staan en daarmee van betekenis veranderden. De identiteit van de objecten werd hiermee niet gedefinieerd als een vaststaand iets, maar als iets dat voortdurend verandert afhankelijk van de context, waarin het product wordt gepresenteerd. In de Vleeshal is eind januari een tentoonstelling geopend waar de ervaring van het winkelen centraal staat. Het concept is van Guus Beumer en Rutger Wolfson en Herman Verkerk is er samen met Rianne Makkink, Project_Jordan, Job van Bennekom en Alexander van Slobbe bij betrokken. In deze tentoonstelling is de ervaring van het winkelen zelf het product geworden. Gastheren/vrouwen ontvangen je en geven je een gevoel bijzonder te zijn. De ruimte is leeg, er is geen product te bekennen. Bij het verlaten van de ruimte krijg je een lege plastic tas mee als het ultieme overblijfsel van shopping. Herman Verkerk heeft zich hierbij in hoofdzaak toegelegd op de enscenering van deze ervaring, waarbij hij zichzelf als een 'ouderwetse architect' ziet, die vanuit zijn eigen roots te werk gaat. Architectonische thema's zoals routing, schaalverhoudingen, relatie binnen en buiten en ruimtelijke ervaring zijn de instrumenten, waarmee hij werkt. In de samenwerking met ontwerpers uit andere disciplines ziet hij geen hiërarchische verhouding. Wel onderkent hij een soort strijd tussen verschillende disciplines, zeker nu ook de beeldende kunst zich steeds vaker met het ontwerpproces gaat bemoeien. Hij beschouwt het als een illusie dat je alles wel kan ontwerpen. Elke discipline brengt zijn eigen expertise met zich mee en hij gelooft er niet in dat een architect op de stoel van bijvoorbeeld een communicatiedeskundige of een grafisch ontwerper kan gaan zitten. Het gevaar is groot dat je je daarmee zelfs ongeloofwaardig maakt. Hij ziet veel meer in een samenwerking op gelijke voet, waarbij de verschillende disciplines hun eigen eisen stellen. Deze eisen creëren interessante randvoorwaarden en het vormt juist een uitdaging om ze tot een goed samenspel te maken.
Liesbeth Melis