stollen en stromen

Stollen en stromen

1.inleiding

Het mode project van Walter van Beierendonk hier in Antwerpen heet landed-geland. Naar ik heb begrepen probeert hij de stad voor een moment een nieuwe modieuze jas te geven en hierdoor een ruimere context voor de mode te creëren en de discipline in contact te brengen met andere ontwerpdisciplines. Als kortstondig evenement een heel interessant idee. Maar zodra deze modieuze jas de neiging zou hebben om te blijven bestaan in de stad zou zij ten prooi vallen aan de architectuurcritici die hun ontwerptheorieën en kritische beschouwingen zouden loslaten op deze raadselachtige kleurvlakken. Voor je het weet, blijkt de ambitie van deze criticasters om de verborgen boodschap van de mode te ontsluieren. En om heel eerlijk te zijn is deze ambitie niet alleen hopeloos, maar in mijn ogen vooral eeuwig zonde. Naar mijn mening is het ongrijpbare karakter van mode juist haar specifieke charme. Laat het daardoor immers niet zoveel andere disciplines en denkwijzen toe? Geen maatschappelijk thema laat de mode onberoerd en tegelijkertijd leidt de zingeving van de discipline een marginaal bestaan. Mijn intrige of liever gezegd mijn fascinatie voor de mode is juist gewor-teld in dit ontbreken van enige definitieve betekenisgeving van de mode. Mode lijkt een volstrekt vloeibare discipline wanneer wij ons over haar betekenis buigen. In de ogen van velen is zij daardoor een oppervlakkig en triviaal fenomeen, voor anderen bedreigend omdat zij nooit te voorspellen valt en dus de tijd naar haar hand kan zetten. In dit betekenisloze tijdperk is mode misschien als enige in staat een vernieuwing te introduceren door andere disciplines te inspireren met een flinke dosis chaos, onredelijkheid en dwarsheid.

2. architectuur en mode zijn jaloers op elkaar

Wanneer architectuur en literatuur, architectuur en film of architectuur en beeldende kunst met elkaar vergeleken worden of op een bepaalde manier gecombineerd worden levert dit al gauw vanzelfsprekend begrip op. Er wordt wederzijds respect getoond voor de discipline en men ziet al snel de voor de hand liggende verbanden. Tussen architectuur en mode echter bestaat een bepaald spanningsveld die een vruchtbare samenwerking in de weg lijkt te staan. Wanneer je in architectenkringen het woord mode of modieus laat vallen zullen velen je op het hart drukken daar totaal niet mee bezig te zijn; men is op zoek naar het tijdloze, hetgeen wat de tijd overstijgt. Een architect als Rem Koolhaas is een van de weinigen die openlijk toegeeft schatplichtig te zijn aan de tijdgeest en ervan doordrongen dat hij daar niet aan kan ontsnappen. Tegelijkertijd bestaat bij mode een dédain ten opzichte van architectuur om het trage stoffige karakter ervan. de architectuur zou een status quo vertegenwoordigen waar de mode zich juist van probeert los te maken. Deze wederzijdse kritiek komt naar mijn mening voort uit jaloezie. Het lijkt voort te komen uit een tegengesteld verlangen van de twee disciplines. Architectuur verlangt om vloeibaar te zijn, zich te kunnen transformeren en verplaatsen, te verschijnen en verdwijnen. Mode verlangt een plek, tot rust komen, een drager te hebben en de mogelijkheid om in zichzelf kunnen bewegen, een ruimte te voelen tussen de vorm en de drager. Architectuur verlangt naar de 'potentie' die het kledingstuk in zich draagt 'het stromen' en Mode verlangt naar het 'definitieve' van de gebouwde omgeving 'het stollen'. Door haar vloeibaar karakter is mode weliswaar sneller dan het licht maar verlangt het een context om te kunnen communiceren. En die context is vaak een stuk langzamer.... Ik ben gefascineerd door deze tegenstrijdige verlangens en probeer in mijn architectuur deze verlangens zichtbaar te maken.

3. virtuele drager
Aan beide verlangens van de twee disciplines kan tegemoet worden gekomen door middel van het tijdschrift. Het tijdschrift (en je kunt hier ook ander media invullen) geeft de architectuur een virtuele drager die het in staat stelt zich te verplaatsen over de wereld, het geeft de mode de virtuele drager van de locatie, de context waarin het gefotografeerd wordt. Een zgn. virtuele drager geeft bovendien de mogelijkheid het verlangen van zowel architectuur als mode om de wereld daadwerkelijk een ervaring rijker te maken: een onderhuidse betekenislaag kan door externe factoren worden belicht. Zoals de reclamefoto van een kledingmerk met ecologisch verantwoorde producten, waarin de kleding gedragen wordt door struiken en bomen. Of de foto van een architectuurmodel of collage die een groot werkelijkheidsgehalte heeft door de perspectivische werking of de lichtval. Omgekeerd kan een tijdschrift ook zelf een nieuwe wereld maken; een wereld die onderdelen van architectuur en mode oppikt en tot een beeld omsmeed dat de tijdgeest representeert. Deze tijdgeest wordt door een stilist of prognotiseur geduid door zgn. trends te voorspellen. In een stedelijke context wordt de fysieke verschijningsvorm van architectuur dan vaak gelijkgesteld met de gevel, net als mode ook in het stedelijk beeld beoordeeld wordt door het beeld in plaats van het ontwerp. Deze 'reproductie' doet dan geen recht aan het kledingstuk of het gebouw. Precies de reden waarom de Weense architect Loos zo'n hekel had aan tijdschriften. Terwijl het tijdschrift aan beide verschillende verlangens namelijk het stromen voor de architectuur en het stollen voor de mode tegemoetkomt moeten de disciplines hier wel een prijs voor betalen. Er is namelijk ook een verlangen wat beide disciplines delen en dat is het zichtbaar en voelbaar maken van het product 'in real time'.

4. mode en modeontwerper
Ik zelf ben niet zozeer in mode/kleding van de straat geïnteresseerd, dus in het beeld, maar eerder in mode als de idee van een ontwerper. Door mijn kennismaking met modeontwer-per Alexander van Slobbe en publicist Guus Beumer kwam ik er achter hoezeer mode en architectuur als ontwerpdisciplines aan elkaar verwant zijn. Alexander van Slobbe heeft mij een inzicht in mode gegeven dat me duidelijk maakte dat de mode ontwerper met een aantal zelfde vraagstukken over het vormen van ruimte met materiaal geconfronteerd wordt. Met name opvallend was de bezinning op de discipline mode zelf en het putten van thema's uit de formele grondstructuur die bij het omzetten van een conceptueel uitgangspunt naar de materialisering gebruikt werden. Thema's die in de architectuur ook spelen. Voorbeelden die duidelijk maken dat je over de middelen die je ter beschikking staan als ontwerper buigt zijn: b.v.
- de doorsnede als plattegrond gebruiken,
- alles in een materiaal,
- door het vouwen van vormen nieuwe vormen opleveren,
- de assemblage van verschillende onderdelen met verschillende stijlen,
- het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van een vorm,
- de illusie van twee/drie dimensies. Omdat dit concept vaak ruimtelijk is en ook pas ruimtelijk ervaren kan worden, verlangt het kledingstuk hierbij een drager, zij het een lichaam, een skelet, of een draagconstructie. Bij Architectuur is de drager deel van het ontwerp en bestaat er zelfs een bepaald ruimte tussen de drager en de vorm. Ik heb mijzelf de vraag gesteld of mode en architectuur hier iets voor elkaar kunnen betekenen zonder dat een van de disciplines een hulpmiddel wordt of oplost in de andere discipline.

5. de modeshow
De modeshow is voor mij een event waarbij de fysieke verschijningsvorm in zijn pure abstractie wordt getoond. Er is geen afleiding van het te vertellen verhaal doordat de kledingstukken uit de context van het alledaagse worden getrokken en net als in het theater kan het verhaal zich ongestoord ontrollen. Interessant aan een modeshow is dat het, en hier citeer ik Guus Beumer, een collectieve eredienst is aan het nieuwe. Het is eenmalig, een unieke exposure, een unieke tijd van beschouwing, een unieke plaats van beschouwing, een unieke vorm van beschouwing. Het is de plek waar architectuur en mode samen kunnen vallen. Uiteindelijk kan hier een symbiose ontstaan tussen architectuur en mode omdat de architectuur hier de mode plaats en tijd geeft en mode de architectuur een vloeibare, tijdelijke vorm geeft.

6. geschiedenis van de modeshow

Aan het begin van de vorige eeuw ontstonden de eerste modeshows. De modellen stonden bij deze shows aanvankelijk stil maar al gauw, onder invloed van de fotografie en de film kwamen ze in beweging om de exposuretijd van een kledingstuk in de echte wereld te kunnen nadoen. De omgeving was meestal een salon van een herenhuis of hotel en dit representeerde de luxe van het evenement. De catwalk werd geboren als een soort veredelde straat waar modellen doelloos van a naar b en weer terug liepen, versche-nen en verdwenen en een vluchtige kennismaking met de kleding mogelijk was. De inspiratie voor de catwalk werd steeds meer die van een nabootsing van de straat/openbare ruimte totdat deze het belangrijkste statement werd. De modellen liepen 'gewoon' op straat op een 'gewone' vloer en een 'gewoon' publiek. Gaandeweg kwam men er achter dat de specificiteit van de locatie van de show de mode een meerwaarde kon geven en men verzon de meest bizarre locaties om shows te geven. Dit was begin jaren negentig.

7. shows van orson en bodil en SO
In deze situatie werden plannen gemaakt voor de eerste shows van twee Nederlandse modemerken, O+B en SO, in Parijs. Voor mij en mijn collega Bart Guldemond werd de uitdaging geformuleerd om dezelfde opgave die Alexander van Slobbe zich stelde bij het vormgeven van zijn collecties in ruimtelijke zin en in een choreografie voor de modellen om te zetten. De opzet was om met deze verstrengeling van disciplines bij de totstandkoming van een show een nieuw soort ervaring te laten zijn. De shows in Parijs vinden elke drie maanden plaats. De mannen shows in januari en juli en de vrouwenshows in maart en oktober. Na het uiteenzetten van de conceptuele uitgangspunten van de nieuwe collectie door de modeontwerper (Alexander van Slobbe) wordt uitvoerig samen met het team (o.l.v. art director Guus Beumer) gesproken over een ruimtelijke interpretatie van deze gegevens. Wat ons bij het ontwerpen van elke nieuwe show fascineert is om met bescheiden middelen een gevoel van ingetogen luxe (glamour) op te roepen die de ontwerpen van Van Slobbe uitstralen en de hoge mate van detaillering en het gevoel voor materiaal van de ontwerpen in de afwerking van de ruimte te weerspiegelen. We trachten dit te bereiken door de noodzakelijke elementen nodig voor een show (ready-mades: podiumdelen, licht- en geluidsapparatuur en stoelen) te huren, en zelf de specifieke onderdelen te vervaardigen. Kenmerkend in al onze ontwerpen is dat we de gekozen locatie herdefiniëren:
1. Door middel van de opstelling van de showelementen (licht, geluid, podium, stoelen). Hiermee bepalen we de routing van de modellen, hun verschijnen en verdwijnen, en de interactie met het publiek.
2. Door het terplekke handmatig afwerken van de zelfvervaardigde decor- elementen. Hiermee bereiken we een grote mate van tactiliteit en detaillering.

8. zelf beïnvloed door mode
Mij persoonlijk heeft mode een aantal dingen geleerd over de betekenis van ontwerpen. Mode leerde me dat ontwerpen voor een groot deel het construeren van verhalen is. Maar daardoor ook dat deze verhalen inwisselbaar zijn, dat je ze weer kan loslaten en je steeds kunt ontdoen van een huid die je niet meer bevalt.